Kennisbank & Educatie
Kom van alles te weten over het weer op onze informatie pagina.
Het Weer
De atmosfeer
De atmosfeer (ook wel dampkring genoemd) is een deken van verschillende lagen om onze aarde heen. De verschillende lagen kunnen ingedeeld worden in 5 soorten. De troposfeer, stratosfeer, mesosfeer, thermosfeer en exosfeer. Er word ook wel eens gesproken over de ionosfeer. Dit is een benaming voor de combinatie van de mesosfeer en thermosfeer.
In de atmosfeer bevinden zich verschillende gassen. De meest voorkomende zijn stikstof en zuurstof die gezamelijk 99% in beslag nemen. stikstof (N2) 78% en zuurstof (o2) 21%. 0,9% word ingenomen door argon en CO2 neemt nog eens 0,03% in van het volume. Daarnaast zijn er ook nog de gassen, neon, helium, krypton, xenon, waterstof, methaan, ozon, en ammoniak te vinden.
Er komt ook waterdamp voor. Ergens tussen de 0,1 en 5%. de hoeveelheid is sterk afhankelijk van de temperatuur en de locatie.
Er komen ook nog aerosolen (fijne stofdeeltjes) voor. deze kunnen bijvoorbeeld afkostig zijn van een vulkaan uitbarsting en bosbranden, maar ook zouten uit de zee kun je terug vinden in de atmosfeer. deze deeltjes helpen bij het vormen van neerslag. Waterdamp kan namelijk makkelijk condenseren op deze deeltjes.
De grenzen tussen de luchtlagen word opgedeeld in 3 soorten. De tropopause, Stratopause en mesopause. Er is ook nog een laag tussen de aarde en de atmosfeer, deze word ook wel de planetaire grenslaag genoemd.

De troposfeer
Zo’n beetje 80% van de massa van de atmosfeer bevind zich in het eerste laag. Afhankelijk van de locatie reikt de troposfeer ongeveer tussen de 6 en 17 km hoogte. Boven de polen reikt hij beduidend minder hoogte dan boven de evenaar. Dit laag heeft de meeste temperatuur verschillen van de genoemde lagen. Gemiddeld neemt per kilometer de temperatuur af met ongeveer 6,5 graad. Tevens is dit laag verantwoordelijk voor het weer op onze planeet. Dit komt door de combinatie van wind, temperatuur en vocht. De grootste hoeveelheden waterdamp zijn dan ook in de troposfeer te vinden.
De stratosfeer
De stratosfeer is het 2de laag met een bereik van ongeveer 10 a 17 tot 50 km hoogte. Hoewel de troposfeer hoge temperetuur verschillen heeft blijft de temperatuur in de stratosfeer nagenoeg constant, ook wel isotherme laag genoemd. daarboven stijgt de temperatuur om vervolgens in de laatste kilometers ongeveer weer uit te komen rond het vriespunt. De waterdamp en koolstofdioxide gehalte wordt deels vervangen door ozon. dit in combinatie met het temperatuur verloop maakt deze laag een stuk stabieler en vind er vrijwel geen convectie plaats.
De mesosfeer
Met een hoogte van 50 tot 85 km bevinden we ons in de mesosfeer. net zoals de onderste luchtlaag dalen de temperaturen met de hoogte verder naar beneden. In het hoogste gedeelte kan de temperatuur gezakt zijn tot wel -173 graden celcius. Ter behoeve van het weer minder interessant. Astroïden/meteoren worden in deze laag zichtbaar door de verhitting die ze oplopen.
De thermosfeer en exosfeer
De thermosfeer 85 tot 700 km hoog samen met de exosfeer 700 tot 10.000 km hoog ook wel de ionosfeer genoemd. In de thermosfeer vind veel absorptie van UV-straling plaats afkomstig van de zon. Dit zorgt voor toename van de temperatuur in de thermosfeer naarmate je hogerop klimt. De temperatuur neemt in de exosfeer niet verder meer toe.
Wolken
Cumulus & Cumulonimbus
Deze soort word ook wel stapelwolk genoemd. Vaak te zien als het weer wat warmer is en er een Koufront nadert. Als de warme vochtige lucht weet te stijgen koelt hij af met de hoogte waardoor waterdamp gaat condenseren.
Als er een grote hoeveelheid vocht aanwezig is, kan met de juiste omstandigheden een Cumulus uit groeien tot een Cumulonimbus. Deze kunnen wel 10km hoog worden en gaan gepaard met veel neerslag en vaak ook onweer. Door de vorm die deze wolken hebben heeft ervoor gezorgd dat ze ook wel eens bloemkolen genoemd worden
Nimbostratus
Een wolken soort dat bij een warmtefront aanwezig kan zijn. Een uitgestrekt wolkendek met weinig structuur en zon bedekkend. De neerslag die eruit komt raakt in sommige gevallen niet eens de grond. Je ziet dan de neerslag halverwege de weg naar beneden weer verdwijnen.
Stratocumulus
De Stratocumulus lijkt een beetje op samengeklonterde Cumulus wolken. Vaak variërend tussen lichter en donkere stukken met zo af en toe wat openingen. Bevat nagenoeg nooit regen, hoewel een paar druppels wel mogelijk zijn.
Stratus
Ook deze vorm van bewolking komen voor bij een passage van een warmtefront. Het zijn laag hangende wolken en grijs van kleur en vaak hebben zij een egale basis. Je kent het vast wel, die grijze dagen met motregen of lichte neerslag. Dit is dus de boosdoener.
Altostratus
Als er warme lucht over een lager liggende koudere lucht schuift kunnen Altostratus wolken gevormd worden. Soms schijnt de zon er nog zachtjes doorheen. De bewolking kan echter ook snel dikker worden en regen gaan produceren. Bij langdurige neerslag kan het een Nimbostratus worden.
Altocumulus
Als op grotere hoogte koudere lucht binnen stroomt kunnen Altocumulus gevormd worden. Deze wolken kunnen het naderen van een onweersbui verraden. Dit is natuurlijk niet altijd zo. De wolken lijken een beetje op de vacht van een schaap.
Cirrus
Ook wel benaamd als windveren. Ze komen voor in de hoge lagen en bestaan volledig uit ijskristallen. Veelal lijken deze sluierwolken een veer/draadachtige structuur te hebben.
Cirrocumulus
Cirrocumulus lijken qua structuur wel wat op de Altocumulus. Het verschil in hoogte maakt ze echter te onderscheiden. Op het oog lijken de Cirrocumulus kleiner. Ook bij deze vorm van wolken kan het weer wijzen op naderend slecht weer.
Cirrostratus
Een dunne laag bestaande uit ijskristallen hoog in de lucht. De dunne laag kan voor een optisch effect zorgen om de maan of de zon genaamd Halo. Onder invloed van een warmtefront kunnen deze wolken dalen tot een Altostratus of Nimbostratus.
Dauwpunt & Luchtvochtigheid
Laten we beginnen met wat uitleg over waterdamp in combinatie met lucht. Omdat de hoeveelheid waterdamp in de lucht altijd weer anders is, word dit gas niet standaard mee genomen bij de aanduiding van alle gassen die zich in de atmosfeer bevinden. Hoewel we in het vorige artikel konden lezen dat het ongeveer 0,1 tot 5% waterdamp in de lucht aanwezig kan zijn, worden deze percentages nooit gebruikt. Luchtvochtigheid word meestal aangegeven met percentages van 0 tot 100%.
de lucht kan maar een bepaalde hoeveelheid waterdamp met zich mee dragen. Hierbij geld de regel; hoe kouder de lucht, hoe minder waterdamp (moleculen) deze kan bevatten. Dit word aangeduid als een mix ratio. Deze luid als volgt: waterdamp in grammen – per – kilo lucht.
Voorbeeld;
- Er is 3 gram waterdamp aanwezig in 1 kilo lucht.
Om je een beeld te geven hoe dat er ongeveer uitziet,
- 1 gram water is 1 cm3 aan volume. Ongeveer net zo groot als een dobbelsteen.
- 1 kilogram lucht is ongeveer 1m3 aan volume.
Dat betekend dus dat er ongeveer 3 dubbelstenen aan water aanwezig zijn in 1 kilo lucht.
In de afbeelding hieronder kun je zien wat de maximale hoeveelheid aan waterdamp is ten opzichte van de temperatuur van de lucht.

Als er een luchtvochtigheid percentage gegeven wordt van 50% bij een temperatuur van 15 graden celcius, dan bevat 1 kilogram lucht 5 gram waterdamp. Als er geen waterdamp word toegevoegd aan de lucht en de temperatuur zakt naar 5 graden celcius, dan bereik je het punt van verzadiging. 100% luchtvochtigheid. Dit is het punt waar condensatie kan plaats vinden. Die laatste temperatuur van 5 graden Celcius wordt dan het dauwpunt genoemd. Houd in het achterhoofd dat de dauwpunt temperatuur nooit hoger kan zijn dan de omgevingstemperatuur. Als de temperatuur van de lucht na het bereiken van het dauwpunt verder daalt, dan daalt de dauwpunt temperatuur op het zelfde niveau mee.
Verdamping (Waterdamp)
In het vorige artikel gaven we het eigenlijk al aan dat temperatuur grote invloed heeft op de hoeveelheid waterdamp, er zich in de lucht kan bevinden. Je kan dus stellen dat koude lucht altijd droog is en warme lucht meestal vochtig. Ondanks dat er meer waterdamp aanwezig kan zijn, hoeft warme lucht geen grote hoeveelheden waterdamp te bevatten. Er zijn verschillende factoren die hier invloed op kunnen hebben. Bijvoorbeeld de wind die vanuit een woestijn warme lucht aanvoerd of de tempratuur van een groot wateroppervlak.
Latente warmte
Om water te laten verdampen is energie in de vorm van warmte nodig. Dit wordt ook wel latente warmte genoemd, en wordt aan gegeven in kJ/kg. We laten de berekening even achterwege. In de overgangsfase van water in vloeibare vorm naar waterdamp (gas) word de binding van moleculen veranderd. De warmte (thermische energie) die deze verandering teweeg brengt wordt meegenomen door de waterdamp moleculen. (Voorbeeld) Wanneer wij als mens zweten, dan probeert ons lichaam zich af te koelen. Het zweten zelf is echter niet de afkoeling. Het is de verdamping van het zweet die de overtollige warmte mee neemt, en zo dus voor verkoeling zorgt. De moleculen nemen deze energie net zolang mee tot dat zij van waterdamp terug veranderen in vloeibare vorm. Door middel van bijvoorbeeld het bereiken van de dauwtemperatuur.

Het moge duidelijk zijn dat de hoeveelheid aan waterdamp die vrij komt afhankelijk is van de temperatuur van het water. Warm water verdampt meer/sneller dan koud water. Hoewel de lucht 100% verzadigd kan zijn met waterdamp, betekend dit niet dat er geen verdamping meer plaats vind. In geval van een luchtvochtigheid van 100% vind even veel verdamping plaats als bij een 50% luchtvochtigheid. Het aantal moleculen wat weer terug gaat naar vloeibare status is hierbij gelijk aan de hoeveelheid waterdamp die vrij komt. (Zie afbeelding hieronder).
Convectie
Condensatie
Wanneer lucht het dauwpunt bereikt en verder afkoelt gaat waterdamp terug naar zijn vloeistof vorm. Dit proces is bij ochtend dauw te zien op bijvoorbeeld gras. over het algemeen condenseert water het eerst op gras omdat deze een koele temperatuur heeft. op zich is het vanzelfsprekend dat dit proces het eerste plaats vind op de koudste oppervlaktes. Als we gaan kijken naar dit proces bij wolkenvorming, dan moet je in het achterhoofd houden dat er iets nodig is om zich aan te binden. In de lucht zijn allerlei deeltjes te vinden die met het blote oog niet gezien kunnen worden, denk bijvoorbeeld aan bacteriën, zoutkristallen, stof enz. Al deze deeltjes worden condensatiekernen genoemd. De druppels condensatie in wolken zijn microscopisch klein
Lucht
De lucht moleculen zijn altijd in beweging. Zo’n molecul vliegt in een rechte lijn totdat deze een andere raakt, afkaatst en weer een andere richting opgaat. dit afketsen gebeurd niet alleen aan elkaar maar ook tegen alle andere objecten op aarde. Dit is in feite het geen wat luchtdruk genoemd wordt. Wanneer de luchtdruk en ook de temperatuur van laag naar hoog gaat, dan gaan deze moleculen steeds sneller bewegen. Mede door de zwaartekracht op onze planeet bevinden zich op het aard oppervlakte de meeste luchtdeeltjes. Hoe hoger je komt hoe ijler de lucht wordt. Lucht die steeds hoger de atmosfeer ingaat word groter omdat er steeds minder druk op staat. de lucht wordt hierbij kouder. Als deze lucht weer daalt dan wordt het proces omgedraaid.
Adiabatisch verval percentages
Lucht die in de atmosfeer stijgt of daalt maakt een voorspelbare temperatuursverandering mee van 9,8 graden celcius per kilometer. Dit is de droog adiabatisch verval percentage. Dit gebeurd dus als er geen vorming van wolken plaats vind omdat er geen verzadiging is van lucht. Vanaf het moment dat er wolkvorming plaats vind spreken we van verzadigd adiabatisch verval percentage, we gaan even uit van 4,9 graden celcius. De reden dat dit lager is komt door het weer vrij laten van de thermische energie die de waterdamp moleculen hebben mee genomen.
Wolkvorming
Hoewel wij als mens het gevoel hebben dat de temperatuur buiten egaal verloopt, zijn er toch plekken waar luchttemperatuur hoger of lager ligt. dit komt mede door de opwarming van objecten in onze omgeving. Plekken die een hogere luchttemperatuur hebben brengen een thermiek/stijgende beweging op gang. Deze stijgende kolom lucht blijft stijgen totdat de lucht de zelfde temperatuur heeft als de omgeving om hem heen. Hierna daalt de lucht weer naar beneden. Ongeacht of er wel of geen vorming van wolken heeft plaatsgevonden. Aan de hand van de adiabatisch verval percentages, de temperaturen en het dauwpunt, kun je op de afbeelding hieronder zien hoe het eruit ziet.
De linker uitgebeelde stijgende lucht bereikt na 1000 meter de dauwtemperatuur en zal vanaf daar nog ongeveer 4,9 graden per kilometer afkoelen. Tussen de 3 en 4 kilometer is de temperatuur gedaald tot de omgevingstemperatuur en kan niet verder stijgen en zakt weer naar beneden. De rechter uitgebeelde stijgende lucht is na iets meer als 1 kilometer al gezakt naar dezelfde temperatuur als zijn omgeving. Deze bereikt niet het dauwpunt en zakt weer naar beneden zonder dat er condensatie plaats vind.
Luchtdruk
Eigenlijk zegt de naam luchtdruk het al, het is de hoeveelheid druk die de lucht uitoefent op ons en onze planeet. De luchtdruk kan worden gemeten met een barometer en word in de meteorologie aangeduid als hectopascal (hPa) of millibar (Mbar). Over het algemeen kun je stellen dat hoe hoger je de atmosfeer ingaat, hoe lager de druk wordt. Luchtdruk oefent zijn kracht in alle richtingen uit. Dit is de reden dat het niet merkbaar is voor ons mensen dat er eigenlijk behoorlijk veel gewicht op ons drukt. Als je je arm strekt word er van boven en vanaf beneden dezelfde hoeveelheid druk op je arm uitgeoefend.
Hoge luchtdruk
Hoge luchtdruk word veroorzaakt doordat er boven in de troposphere lucht/wind tegen elkaar aan botst en hierbij naar beneden worden gedrukt omdat de lucht vanaf hier niet verder kan stijgen. Doordat de lucht hier naar beneden word gedrukt worden de moleculen dichter op elkaar gedrukt waardoor deze minder bewegingsruimte hebben. De dalende lucht word warmer naarmate deze verder zakt. er ontstaat een stabiele luchtsoort waarin wolkvorming niet plaats kan vinden en waarbij de luchtdruk op leefniveau stijgt.
Lage luchtdruk
Wanneer boven in de troposphere lucht/wind niet tegen elkaar botst maar juist van elkaar weg beweegt, veroorzaakt dit juist een zuigende werking. Hierbij begint lucht te stijgen. Doordat lucht stijgt koelt deze af en krijgen moleculen steeds meer ruimte om te bewegen. De lucht word hierbij onstabiel en wolken kunnen gaan vormen.
Thermische lage luchtdruk
In hele warme gebieden kan warme lucht vanaf het aardoppervlak beginnen te stijgen, zonder dat hierbij het proces in gang gezet is door de zuigende werking boven in de troposphere. Doordat deze warme lucht begint te stijgen daalt de luchtdruk op het aardoppervlak. Dit word een Thermisch laag genoemd.
Koude kern hoge luchtdruk
In hele koude plekken kan lucht samen trekken. Doordat er van boven lucht word toegevoegd, word de lucht verder samen gedrukt. hierdoor stijgt de luchtdruk. Dit word ook wel koude hoge luchtdruk genoemd.
Doordat luchtdruk met de hoogte verschilt zullen er grote verschillen zijn qua metingen. Echter als we naar de luchtdruk kaarten kijken zien we deze niet terug. Doormiddel van een berekening word er altijd terug gerekend naar luchtdruk op zee niveau. Hierdoor krijg je een egaal beeld van de luchtdruk.
Wind
Op ons noordelijke halfrond beweegt wind in een laag luchtdruk gebied zich tegen de klok in en in een hoog luchtdrukgebied met de klok mee. Dit word veroorzaakt door draaiing vaan de aarde. Lucht die zich in een richting verplaatst vanaf de noordpool richting de evenaar, zou bij een stilstaande aarde in een rechte lijn verplaatsen. Echter doordat de aarde tegen de klok in rond draait, buigt deze lucht af naar links. Lucht die zich in een richting verplaatst van af de evenaar richting de noordpool buigt af richting het oosten. Op het zuidelijk halfrond gebeurt dit ook alleen doordat de richting van de lucht zich omgekeerd verplaatst ten opzichte van het noordelijk halfrond, draait de lucht hier in de luchtdruk gebieden ook het tegenovergesteld. Zie afbeelding hieronder ter illustratie.

De snelheid en vorming van de wind is afhankelijk van de verschillen in temperatuur en luchtdruk. Bij warme lucht is de afstand bij het dalen van de temperatuur met de hoogte groter dan bij koude lucht. Deze verschillen hebben eveneens drukverschillen naarmate de hoogte toeneemt. Hoe groter de verschillen des te hoger de windsnelheden. Dit en het Coriolis effect zoals hierboven beschreven zorgen ervoor dat deze wind zich van west naar oost beweegt.
Fronten
Polair front
Voor de uitleg wat het polair front is, moeten we gaan kijken wat er hoger in de lucht gebeurd. Hiervoor gaan we naar een hoogte van +- 3000 meter (700hPa). Als we boven de noordpool kijken dan zien we hier een gebied dat koude lucht bevat die te onderscheiden is van de warmere lucht, gezien vanaf de evenaar. De rand van de koude luchtbel word het polaire front genoemd. Dit hele gebied met koude lucht, trekt zich terug richting het poolgebied naarmate de zomer nadert en strekt zich uit richting de evenaar in de winter. Op de afbeelding hieronder afgebeeld in blauwe kleur. Wat opvalt, is dat er uitschieters met koude lucht zijn richting het zuiden. Dit worden ook wel Rossby waves (planetaire golven) genoemd.

Warmtefront
Als er word gesproken over een warmtefront dan duid dit het punt aan waarbij warme lucht botst met koude lucht. Hierbij word de koude lucht vervangen door warme lucht. De warme lucht wordt hierbij in een relatief rustige snelheid gelift over het kou front. Dit proces kan zich over kilometers uitstrekken. Wolken kunnen zich vanaf hoog naar laag steeds verder uitbreiden en ter hoogte van het warm front kan het regenen. Zie afbeelding hieronder ter illustratie.

Koufront
Een koufront duid het punt aan waar koude lucht de warme lucht verdrijft. Het kou front leunt hierbij een beetje over de warme lucht. Op dit punt vind convectie plaats, en word warme lucht als het ware gelanceerd. Hierbij bestaat er een mogelijkheid tot stevige onweersbuien. Op zijn minst ontstaan hier cumulus wolken. Zie afbeelding hieronder ter illustratie.

Stationair front
Bij een stationair front bereiken warme en koude lucht elkaar vanuit tegengestelde richting. De snelheid waarmee dit gepaard gaat liggen laag en gelijk. Er kan dikke bewolking zijn, licht regenen of geheel droog blijven. Zie afbeelding hieronder ter illustratie.

Occlusiefront
Een occlusie front ontstaat waar een kou front met hogere snelheid een warm front met lagere snelheid raakt en inhaalt. Dit is vaak het geval bij de vorming van een depressie. Het kan ook zijn dat een kou front een ander (iets minder koud) koufront inhaalt. Bij een depressie is op dit front de meeste neerslag te vinden.
Gust front
Bij pittige tot zware buien komen sterke neerwaartse dalingen van koude lucht voor. Deze koude lucht word tegen de grond gedrukt en spreid zich over de grond uit. Deze koude lucht word voor de bui uit gedrukt. Hierbij word het voorste deel, waar de warme vochtige lucht omhoog gedwongen word, een gust front genoemd.
Convergentie & Divergentie
Convergentie en divergentie is een proces waarbij het samen komen of van elkaar wegdrijven van lucht een stijgende of dalende beweging in gang zet. Bij convergentie wordt lucht op elkaar in gedrukt. Op deze manier ontstaat er overdruk waardoor de lucht gedwongen wordt om te stijgen. Dit kan buien en felle onweersbuien tot gevolg hebben als dit vanaf het aardoppervlak gebeurd. Ook hoger op in de lucht kan dit proces plaats vinden. Bij divergentie komt de lucht niet samen maar trek juist van elkaar af. Als dit aan het aardoppervlak plaats vind, dan wordt de lucht erboven juist gedwongen om te dalen omdat er onderdruk is en zal de luchtdruk stijgen. Dit proces kan ook helemaal boven in plaats vinden. Dan zorgt de zuigende werking door onderdruk juist dat lucht weer gaat stijgen. Dit zet dan ook weer een luchtdruk daling in gang.
Depressies
Depressies (ook wel mid latitude cyclones genoemd) ontstaan op de grens waar koude droge lucht op warme vochtige lucht botst. Dit fenomeen is te vinden ter hoogte van het polair front. Het proces begint dus bij een stationair front. Wanneer hierbij de koude lucht vanuit het noordoosten word aangevoerd en de warme lucht vanuit het zuidwesten, dan veranderd dit stationair front al snel in een kou front en een warm front. Het kou front begint zich vervolgens verder zuidwaarts te verplaatsen. Tegelijkertijd verplaatst de warme lucht zich in een minder snel tempo naar het noorden. De kern van de depressie begint hierbij uit te diepen en de luchtdruk word lager. Wanneer de luchtdruk sterk daalt op een relatief kleine afstand, word de warme lucht spiraalsgewijs steeds harder omhoog gezogen. Op een gegeven moment begint het kou front het warm front in te halen. Hierdoor ontstaat er een occlusie front. Dit is het moment waar de depressie op zijn sterkst is. Hieronder op de afbeelding leggen we het nog eens stap voor stap uit.

Globale Circulatie
Intertropische Convergentie Zone
Ter hoogte van de evenaar beweegt de wind vanaf het noordelijkhalfrond zuidwestwaarts en vanaf het zuidelijkhalfrond noordwestwaarts naar de evenaar toe. Doordat de wind tegen elkaar aanbotst vormt er zich een lijn wind die zich vanaf het oosten naar het westen verplaatst. Dit word de intertropische convergentie zone genoemd. De lucht in dit gebied is warm en zeer vochtig. Doordat de lucht tegen elkaar in gedrukt word kan deze lucht niets anders dan stijgen. In dit gebied zijn dan ook nagenoeg altijd cumulonimbus wolken te vinden. De lucht die vanaf hier stijgt, stijgt door totdat deze niet verder kan (bovenkant troposphere). De lucht is vanaf hier een stuk droger, en deel van de lucht verplaatst zich dan richting het zuiden en een deel richting het noorden. Dit proces zorgt voor een thermisch laag luchtdruk gebied over de evenaar.
Subtropische hoge luchtdruk gebieden
De gestegen lucht vanaf de omgeving van de evenaar reist enige tijd boven in de troposphere richting het noorden en zuiden. Hierbij koelt de lucht langzaam af en begint op een gegeven moment weer te dalen. Op de plek waar deze lucht begint te dalen ontstaat door deze daling een hoge luchtdruk gebied. Doordat het proces op de evenaar over de gehele evenaar plaatsvind, vind ook de vorming van deze hoge luchtdruk gebieden plaats over de gehele ronding van de planneet waarbij dit het meest frequent voorkomt over de oceanen. Dit komt doordat over de continenten op warmen door de zon. Er ontstaat dus een loop van lucht welke ook wel de Hadley cell genoemd word.

Depressies
Nadat we hiervoor besproken hebben hoe depressies ontstaan, halen we dit proces er weer bij. Depressies, of beter gezegd cyclonen die plaats vinden rondom het polair front, zorgen er voor dat er weer stijging plaats vind van lucht. Net zoals bij de Hadley cell, reist ook hierbij weer de drogere lucht aan de bovenkant van de troposphere richting het zuiden en het noorden. De lucht die naar het zuiden beweegt daalt op dezelfde plek naar beneden ter hoogte van de subtropische hoge luchtdruk gebieden. Deze loop word de Ferrel cell genoemd.
Polair Hoog
De gestegen lucht rondom het polair front dat zich noordelijk verplaatst daalt op de noordpool weer naar beneden. Hierdoor ontstaat er een hoge luchtdruk gebied. Dit hoge luchtdruk gebied zorgt voor de benodigde noordoostelijke wind die nodig is bij de vorming van depressies en cyclonen ter hoogte van het polair front. De loop die de lucht hier maakt word ook wel de Polar cell genoemd.

Als je dit verhaal gaat bekijken op een kaart met echte data dan zal je er al snel achter komen dat het in het echt er allemaal een stuk chaotischer uit ziet. Voor de uitleg hiervan is het echter duidelijker als het wat symmetrisch is uitgebeeld.
Jet Streams / Straalstromen
Jet streams zijn een snel, in een nauwe meander patroon bewegende lucht die zich van west naar oost verplaatst. Deze stromen bevinden zich in het bovenste gedeelte van troposphere en zijn te vinden tussen de Polar en Ferrel cell (de polar jet) en tussen de Ferrel en de Hadley cell (de subtropische jet). De subtropische jet is hierbij de variant die op een hogere hoogte plaats vind en waarbij ook minder hoge windsnelheden gepaard gaan, ten opzichte van de polar jet. De tropopauze ligt per circulatie cell hoger of lager ter hoogte van de scheiding tussen de twee cellen. Dit wordt veroorzaakt door het verschil in dichtheid tussen warme en koude lucht. In koude lucht licht bijvoorbeeld een temperatuur van -20 graden op een lager niveau/ hogere luchtdruk dan bij de warmere luchtsoort. Dit verschil in temperatuur/druk in combinatie met de krachten die ontstaan door de rotatie van de aarde, maken dat de windsnelheden met de hoogte steeds sneller worden. Over het algemeen worden jet streams niet breder dan enkele 100 kilometers en bereiken ze niet meer dan een totale hoogte van ongeveer 4 a 5 kilometer. De windsnelheden in de polar jet kunnen oplopen tot wel 400 km/h in de winterperiode. De windsnelheden in een jet stream kunnen over grotere afstanden flink van elkaar verschillen.

Hoewel de subtropische en de polar jet elkaar in sommige gevallen kunnen bereiken, heeft de polar jet ruimschoots de grootste invloed op het weerbeeld. Een sterke jet stream kan bijvoorbeeld met de juiste ligging voor extra zwaar onweer zorgen in de zomer en kan in de winter wanneer deze zuidelijk onder ons land doortrekt voor een flinke winter inval zorgen. En zo zijn er nog een heleboel andere dingen te benoemen.
Low-level Jet
Door een scherpe afscheiding van een droog en warm klimaat en een vochtig warm klimaat, kan de lucht aan het oppervlak in het droge warme gebied sneller afkoelen dan de warme vochtige lucht ernaast. Dit word vaak gezien in Amerika over de great plains. Doordat hier droge warme lucht over het westen in een hoger gebied ligt, kan hier de temperatuur in de nacht een stuk sneller dalen als de vochtigere warme lucht op de zelfde hoogte verder naar het westen. Dit ligt immers ook nog eens verder van het aardoppervlak door het lager gelegen gebied. Hierdoor ontstaan er drukverschillen waarbij de warme vochtige lucht van oost naar west richting de afgekoelde lucht beweegt. Hierbij beinvloet het Coriolis effect de stroming waardoor deze afbuigt richting het noorden. Het proces kan nog extra versterkt worden doordat er meer zuidoostelijk al een thermische wind op gang word gebracht. Warme vochtige lucht die aangevoerd word richting een laag luchtdruk gebied met aan de westelijke kant een koufront, veroorzaakt enig sinds al een verhoging van windsnelheid.
Sting Jet
Een sting jet is te vinden bij depressies/cyclonen die ontstaan rondom het polair front. Voor de ontwikkeling van een sting jet is er net iets meer nodig dan bij een normale depressie. Om te beginnen kijken we eerst even naar de afbeelding hieronder.

Wat opvalt, is dat het kou front hierbij niet in verbinding staat met het warm front. Boven het warm front loopt een koude transportband welke koude vochtige lucht, met al zijn neerslag naar de kern van het snel uit diepende laag brengt. Tussen de kern en het kou front word nog koudere en zeer droge lucht (polaire lucht) de kern in gebracht. De neerslag die de koude transportband met zich mee brengt valt in de droge strook waarbij de neerslag snel verdampt en een verdere afkoeling veroorzaakt. Sterke wind wordt omlaag gedrukt. Het resultaat van de verdamping koelproces is een versnelling van het neerwaartse momentum. Sterke winden worden met grote kracht naar beneden geduwd richting de wolken basis die zich om de kern wikkeld.
Extremen
Onweer
Voor de meesten is het al wel duidelijk wat onweer is. Je hebt het vast en zeker wel eens meegemaakt. De prachtige wolkenformaties met felle flitsen en harde donders. Voor de één een passie en de ander een angst. Maar hoe ontstaat zoiets nou eigenlijk, en wat kan er allemaal gebeuren in zo’n onweer bui.
Laten we eerst eens kijken naar de benodigde ingrediënten om tot onweer te komen.
- Er is warme vochtige lucht nodig. Deze vochtige lucht is essentieel voor de vorming van een onweer bui. Zonder genoeg vocht in de lucht zal er bij het stijgen van de warme lucht te weinig/geen condensatie plaats vinden. Stel voor dat de luchtvochtigheid 30% is. Als er stijging plaats vind van deze warme lucht is de mogelijkheid van het bereiken van het dauwpunt waarbij condensatie plaats vind zeer klein. De verschillen in dauwpunt temperatuur en de gewoon gemeten temperatuur zijn dan ook erg hoog. De lucht moet dan ook erg ver stijgen om tot de juiste temperatuur te dalen en te condenseren.
- Er is onstabiele lucht nodig. Onstabiele lucht wordt veroorzaakt door grote temperatuur verschillen in de verschillende luchtlagen met de hoogte. Hierdoor is het mogelijk voor warme vochtige lucht om vrijuit te kunnen blijven stijgen. Zoals eerder aangegeven Daalt de temperatuur met ongeveer 9,8 graden Celsius per kilometer. Echter als lucht begint te condenseren wordt dit verval kleiner door het loslaten van Thermische energie, wat de mogelijkheid om verder te stijgen vergroot.
- Er is een koufront of een convergentielijn nodig. Bij convergentie zorgt botsende lucht in de onderste lagen voor een stijgende beweging en bij een koufront is het de koude binnen dringende lucht die de warme lucht de lucht in drukt.
Als de juiste ingrediënten aanwezig zijn ontstaat er een stijgende luchtstroom die tot wel meer dan 10 km hoogte kan bereiken. Er kunnen prachtige wolkenformaties vormen zoals een shelfcloud of wallcloud,. Er kunnen tornados en valwinden ontstaan, zeer grote hagel en hoeveelheden neerslag en het kan zo veel flitsen dat het in de nacht bijna constant verlicht word. Hoe bliksem, wolkenformaties en randverschijnselen ontstaan gaan we in de volgende artikelen wat dieper op in.
Bliksem
Bliksem ontstaat door grote spanningsverschillen tussen het aardoppervlak en de bovenkant van een onweersbui. Het aardoppervlak heeft een lage negatieve spanning, Echter wordt deze bij een onweersbui verdreven en komt er positieve spanning voor terug. In de onweersbui zelf vind er door de sterke stijgingen en dalingen botsingen plaats tussen alle verschillende vormen van water (druppels, sneeuw, hagel, ijskristallen). Deze botsingen zorgen dat deeltjes statisch elektrisch geladen worden waarbij de koude druppeltjes en kristallen (lichte deeltjes) die stijgen positief geladen worden en de deeltjes die dalen (zwaardere deeltjes) negatief geladen worden. Als deze spanningsverschillen te groot worden vind er in de lucht nog een proces plaats genaamd ionisatie. Atomen worden positief geladen waarbij de negatieve deeltjes vrij eromheen bewegen. Dit zorgt ervoor dat heel slecht geleidende lucht veranderd in goed geleidende plasma. Dit proces gebeurd in stappen en word de stepped leader genoemd. Vanaf het aardoppervlak beginnen de geladen deeltjes te stijgen als bliksem zich grotendeels een baan door de lucht heeft gemaakt. Nu slaat de bliksem in en is de spanningsoverdracht klaar.
Er kan zowel positieve als negatieve bliksem ontstaan. Negatieve bliksem komt het meest voor. Deze vorm van ontlading komt voort uit het onderste deel van een onweersbui. Deze zijn vaak flitsend en vertonen meestal meerdere vertakkingen. De donder die negatieve bliksem geeft klinkt grommend en rolt door de lucht. Positieve bliksem komt meestal vanuit het bovenste deel van een onweersbui. Door sterke dalende stromen in de onweersbui is het ook vanuit de lagere delen mogelijk. Mede door de afstand die positieve bliksem van boven in de wolk af moet leggen, vind er een veel hogere spanning plaats. De bliksem vertoond vaak minder tot geen vertakkingen, kan heel fel zijn en is minder flitsend als een negatieve ontlading. Doordat de spanning hoger is en de overdracht agressief is, is de donder die ermee gepaard gaat dieper en minder krakend. De hoeveelheid ampère van positieve bliksem kan in extreme situaties wel meer dan 500.000 kilo ampère bedragen. Positieve bliksem is bij uitstek de gevaarlijkste door de hoeveelheid spanning, maar ook omdat deze tot kilometers ver van een onweersbui kunnen rijken. Ook wel bolt from the blue genoemd.
Er zijn een aantal verschillende types bliksem.
- Wolk naar grond bliksem (CG, Cloud to Ground)
- wolk tot wolk bliksem (CC, Cloud to Cloud)
- Interne bliksem (IC, Intra-cloud)
- Opwaartse bliksem
- Sprites en Jets
De meeste namen zeggen eigenlijk al genoeg. Wolk naar grond kan zowel positief als negatief geladen zijn. Bij opwaartse bliksem is het zo zo dat deze positief is, omdat de aarde bij een onweersbui positief geladen is. Wolk tot wolk bliksem is negatief en vormt zich van negatieve wolk naar positieve (hoger gelegen) wolk. Soms zichtbaar maar vaak ook niet. Interne bliksem is negatief en vind plaats vanaf de negatieve kant tot de positieve kant van de zelfde wolk.
Red sprites en blue jets komen voort uit de positieve ontladingen vanuit de top van een onweersbui. Dit fenomeen is zeldzaam en moeilijk vast te leggen. Sprites zijn een ontlading in de vorm van rode sprieten boven een onweersbui die tot 95 kilometer hoogte kunnen bereiken en duren maar enkele milliseconden. Mogelijk zijn zei het gevolg van het neutraliseren van opgebouwde spanning van de aarde die zonnewind deeltjes opvangt. Dit geld ook voor jets. Echter bereiken deze met 50 kilometer minder hoogte, schijnen ze beter zichtbaar te zijn en word er mogelijk een verband gelegd met hagel.
Kaarten & Indexen
Windschering
Windschering is naast de benodigde ingrediënten voor onweersbuien en hele belangrijke factor als het gaat om de intentietijd van een onweersbui. De meeste dynamiek word namelijk bepaald door de snelheid en richtingen van de wind. Als men in de meteorologie het over windschering heeft kunnen hier twee dingen mee bedoeld worden. Wind die met de hoogte veranderd van snelheid en wind die met de hoogte verandert van richting. Men praat hierbij over een snelheid schering als er veel wind staat die met de hoogte ook nog eens flink toe neemt. Wanneer er gepraat word over draaiing van wind met de hoogte word de term richting schering gebruikt. Richting schering in combinatie met snelheid schering van groot belang bij de vorming van zware onweersbuien en eventuele randverschijnselen.
Effectieve Windschering
Effectieve windschering geeft aan wat het verschil is in windsnelheid vanaf de onderste laag van waar convectie plaats vind tot +- 6 kilometer hoogte. Je komt op de effectieve windschering uit als je de snelheid van de hoogste lucht laag (6kilometer) verlaagd met de windsnelheid van de onderste laag vanaf waar convectie plaats vind. Aan de hand van de effectieve windschering kun je redelijk bepalen in welke mate er dynamiek aanwezig is. Is er kans op single cel onweer of is er kans op bijvoorbeeld supercells.
Low-level Shear
We praten over een low level shear wanneer we kijken naar de verschillen in windschering in de onderste kilometer van de atmosfeer. Voor de vorming van supercells en tornado’s blijkt het van groot belang te zijn dat er sterke verandering in richting als ook snelheid plaats vind in deze onderste luchtlaag. Als bijvoorbeeld op het aardoppervlakte de wind uit zuidelijke richting komt met 10 kts en op een kilometer hoogte is de wind gedraaid naar bijna geheel westelijk met een snelheid van 20 kts, betekend dit dat er een sterke verandering plaats vind waarbij de stijgende lucht een vlotte draai krijgt in de onderste luchtlaag. Dit is zeer bevorderlijk bij de vorming van roterende stijgstromen en eventuele tornado’s.
Deep-Layer Shear
Hierbij word er gekeken naar de verschillen in wind vanaf het aardoppervlak tot 6 kilometer hoogte. Voor de vorming van supercells en eventueel tornado’s moet je al gauw denken aan een waarde van 40kts en hoger. Deze index is eveneens te gebruiken als bepaling van de effectieve windschering. Houd er alleen wel rekening mee dat buien niet altijd vanaf de grond ontstaan. De effectieve windschering waarde kan hierdoor kleiner worden bij convectie die op hoogte plaats vind
Bulkshear
In princiepe is deze index bijna het zelfde als de deep layer shear index. Deze duid ook de verschillen in windschering aan van 0 tot 6 kilometer hoogte. Echter is deze beter te gebruiken bij het bekijken van de effectieve windschering. Waar de deep layer shear index altijd waardes aangeeft vanaf de grond, Houd deze index rekening met de hoogte vanaf waar convectie plaatsvind. Bulkshear index zou voor de vorming van eventuele supercells toch wel richting waardes moeten gaan tussen de 30 en 40 kts.
SRH, Storm Relative Helicity
Hoewel deze parameter geen veranderingen van verticale windschering weergeeft, heeft deze indirect wel te maken met windschering. Deze index geeft een berekening tot potentieel cyclonisch roterende stijgstromen van rechts bewegende supercells. Berekent op 1 tot 3 kilometer hoogte vanaf het aardoppervlak. Deze index is te combineren met de deep layer index. Hoe hoger de waardes des te beter. Er zijn echter geen minimale waardes bij toe te passen, de richting en snelheid schering in de onderste kilometers zijn van veel groter belang.
CAPE
CAPE is een afkorting voor, Convective Available Potential Energy. Deze index geeft de mate van onstabiliteit aan in de atmosfeer. De waarden representeren de versnelling pakketje lucht ervaart als gevolg van verschillen in luchtdichtheid in relatie tot de temperatuur van de pakketjes lucht en de lucht eromheen. Hoewel deze index altijd positieve waardes moet aangeven om tot onweer te kunnen komen, is deze index in zijn eentje niet genoeg. Er dient tevens altijd vocht aanwezig te zijn in de warme lucht en er moet een trigger in de vorm van koudere lucht binnen vallen.
SBCAPE, Surface Based CAPE
Als we gaan kijken naar de SBCAPE, dan kijken we naar de berekening van de totaal potentiele beschikbare energie voor een pakketje lucht dat aan de aardoppervlakte ontsaat en op stijgt tot het niveau van vrije convectie. Wanneer er Geen cape aan het oppervlakte is te vinden maar wel in een wat hoger gelegen luchtlaag, zal er dus geen convectie plaats vinden vanaf de grond maar vanaf de iets hoger gelegen luchtlaag. ook wel een elevated storm genoemd.
MUCAPE, Most Unstable CAPE
Bij deze index word er een berekening gemaakt van de potentiele energie in de onderste 300 mb van de atmosfeer. Hierbij wordt elke laag in de onderste 300 mb van de atmosfeer gelift om de waardes te vinden. De laag met de hoogste waarde is uiteindelijk de MUCAPE. Hoewel deze veel gebruikt wordt is deze niet altijd even efficient. Deze index schijnt wel te werken bij het voorspellen van elevated storms als bijvoorbeeld s’ nachts door snelle afkoeling op het oppervlak temperatuur inversie plaats vind.
MLCAPE, Mixed-Layer CAPE
Net zoals de anderen geeft deze waarden aan van de instabiliteit in de troposfeer. De berekening word gemaakt over de onderste 100 mb van de atmosfeer. Net zoals bij SBCAPE word hierbij de berekeningen weer gebruik gemaakt van het niveau van vrij convectie. In de calculatie word gebruikt gemaakt van de virtuele temperatuur correctie. Deze index geeft vaak realistischere waardes weer dan de SBCAPE en is goed te gebruiken voor situaties overdag.
DCAPE, Downdraft CAPE
Deze index is bedoeld voor precies het tegen over gestelde van de eerder omschreven cape indexen. Hierbij word met behulp van een berekening hoeveel potentiele energie er is voor dalende lucht. Net zoals bij de andere indexen betekend een hogere waarde dat er meer energie gebruikt kan worden. Deze index kan handig zijn bij het bepalen of er een mogelijkheid is tot bijvoorbeeld een valwind.
CIN (Convective Inhibition)
Het kan voorkomen dat alle ingrediënten voor een flinke onweersbui aanwezig zijn maar dat er door een kleine temperatuur inversie in een hoger gelegen luchtlaag. stijgende lucht kan vanaf hier niet meer verder stijgen omdat deze nu een lagere temperatuur heeft dan zijn omgeving. Deze cap word ook wel CIN of terwijl Convective inhibition genoemd. De waardes hier omtrent kunnen gevonden worden op de CIN index. Het kan voorkomen dat er de gehele dag een te hoge CIN waarde is en er geen onweer kan vormen. Echter kan een convective inhibition laag ook een groot gedeelte van de dag convectie onmogelijk maken, en plotseling op het heetst van de dag toch breken omdat de benodigde temperatuur stijging behaald is.
Wolkstructuren
Shelfcloud
Een shelfcloud “in Nederland ook wel plankenwolk genoemd” kan ontstaan bij zowel een zware onweersbui als bij een pittige regen bui, maar voornamelijk bij een onweersbui. Als de bui zich voortbeweegt over een warm en vochtig aardoppervlak en er vind in de bui een sterke daling plaats van koude lucht, word deze koude lucht onder de bui tegen het aardoppervlak gedrukt. Hierdoor word de koude lucht alle kanten opgedrukt over het aardoppervlak. De koude lucht die aan de voorkant van de bui richting de warme vochtige lucht gedrukt word laat de warme lucht gedwongen stijgen. Hierbij vind op enige hoogte condensatie plaats. Doordat er een sterke opwaartse beweging plaats vind voor de neerslagkern/neerwaartse beweging, word hier een vaak strak gelijnde wolkenkraag gevormd zonder neerslag. Soms begint stijgende lucht al te condenseren onder deze rand waardoor de stijging van deze lucht zichtbaar word in de vorm van lange vingerachtige slierten. dit word fractus genoemd. Als er een sterk genoeg opwaartse stroming plaats vind kun je de fractus met je ogen duidelijk zien stijgen en soms rijken zo tot bijna de grond. Hieronder een afbeelding ter illustratie.

Waar er bij een shelfcloud zoals hierboven een duidelijke belijning zichtbaar is met een strakke structuur is er ook nog een minder fijn gestructureerde variant die wij een arcus kraag noemen. Dit komt door een lage windschering. Bij shelfclouds zijn er 1 of meerdere belijningen zichtbaar. De foto hieronder laat een arcus kraag zien.
Rolwolk
Een rolwolk is zeldzamer en behoort net zoals de shelfcloud tot zogenoemde Arcus boogwolken. We spreken over een rolwolk als deze om zijn horizontale as draait en los staat van de wolkenbasis van de bui. Rolwolken komen ook voor zonder dat er een bui aan te pas komt. In principe word een rolwolk op de zelfde manier veroorzaakt als een shelfcloud. Echter ontstaat er door vermenging van de koude en warme lucht een horizontale vortex die zich los kan gaan voortbewegen van de bui. De gecondenseerde gemengde lucht word omringt door de koude lucht die vanuit de bui eronder door stroomt en de warme stijgende lucht die er bovenlangs naar de bui toe stroomt. Dit word een Soliton genoemd, een alleenstaande golf die langdurig zijn vorm kan blijven behouden. Hieronder een afbeelding ter illustratie

Een screenshot van een timelaps video van een rolwolk nabij Cuijk.
Whales mouth
In principe vind er bij een whales mouth het zelfde plaats als bij het ontstaan van een shelf cloud. Warme vochtige lucht word gedwongen te stijgen door de koude lucht die door de down draft voor de bui uit gestuwd word. Deze koude lucht kan zich steeds verder uitstrekken voor de bui uit waardoor een groot en turbulent wolkendek ontstaat. De voorkant heeft vaak een wat gladdere structuur en geeft de rand aan van de koude lucht/gust front. De grenslaag tussen de koude en warme lucht is erg turbulent. Dit kan in de whales mouth ook waargenomen worden door de grove en vaak golvende structuren. Met een timelapse zijn de golven die de wolken maken mooi terug te zien. De foto hieronder laat een whales mouth van klein formaat zien.

